Scotland "the Bright" (Door Kees Dankers, titel copy-right: Rob Davelaar)


Naar het schijnt is het merendeel van de mensheid met het voortschrijden van de jaren, mogelijk ingegeven door een toenemende hang naar zeker- en vastigheid, meer en meer geneigd naar een zelfde plaats op vakantie te gaan. Ik ben helaas blijkbaar niet veel anders en de laatste jaren is mijn vizier gericht op het Schotse Hoogland. Nu is Schotland als het om de weergesteldheid gaat doorgaans overigens geen toonbeeld van stabiliteit, maar het beperkte aantal wegen maakt alles na enkele keren toch al zeer herkenbaar en vertrouwd. Maar gelukkig waren en toch ook nog enkele (deels doodlopende) weggetjes die ik niet had verkend en bovendien kent het land bezijden de berijdbare wegen nog ontelbare wandelpaden, zodat ik het land in het voorjaar van 2005 ongegeneerd voor de 5e keer (!) op mijn programma meende te kunnen zetten. Het zou dit keer wel een gecombineerde motor- en voetreis worden. Daarnaast was als extra excuus en aanleiding ook nu weer een evenement van de Schotse BMW club gevonden, ditmaal hun "bunkhouse-weekend" in Lochearnhead, oftewel aan "de kop van het Earn meer". De belangstelling voor deelname vanuit onze eigen club was weer als van ouds, d.w.z. nogal bescheiden. Rob Davelaar had na oktober vorig jaar de smaak te pakken en wist ook zijn NoŽlle te overtuigen. En verder wilde ook Rob Deeks het noordelijke deel van zijn geboorteland nog wel eens per motor verkennen. Maar verder bleef het akelig stil. Aangezien Rob Deeks door drukke "verplichtingen" (nou ja logisch, hij is dan ook met pensioen) zich geen twee weken vrij kon maken, zou hij 5 dagen later vertrekken en dan ook terloops nog even bij de ouders van zijn Schotse schoondochter aanwippen.

Zodoende staan we op 4 mei vooralsnog met zijn drieŽn tussen een grote horde van tientallen ons onbekende motorrijders uren te wachten voor het inschepen op de DFDS kade in IJmuiden. NoŽlle op haar R80ST, Rob en ik ieder op een R100GS PD. Nadat al het ijzer dat het aankijken maar enigszins waard was al meerdere keren is bekeken, wordt eindelijk het startsein gegeven. In de punt van de boot ontstaat onmiddellijk een opeenhoping van motoren, waarop de ferry klaarblijkelijk niet echt is voorzien getuige de provisorische bevestigingspunten, die men heeft aangelegd voor het vastsjorren van onze raspaarden. En zo ontwikkelt zich in een klein half uur een kluwen van motoren die door de sjorbanden gevangen lijken in een reusachtig spinnenweb. De gemakzucht of het streven naar zekerheid in de karakters van de berijders manifesteert zich daarbij in bevestigingsvariaties uiteenlopend van ťťn argeloos sjorbandje tot een wel driedubbele zekering. Nauwelijks los van de kade zetten wij onze tanden in het meegebrachte brood, want uit-eten past uiteraard niet in het onszelf opgelegde karige vakantieregime. Wel een comfortabele hut met douche en toilet overigens. Na een redelijk rustige overtocht en een ontbijt uit eigen voorraad aangevuld met een kostbaar kopje koffie van zo'n 3 euro, begeven we ons weer naar het vooronder. Aldaar wordt de worstelfilm van gisteren middag versneld teruggespoeld, waarna de eerste vaste grond van Groot-BrittaniŽ al snel onder onze wielen doorrolt. Via een toltunnel onder de Tyne rivier voor een net overkomelijke 60 Pence voor 3 motoren (gelukkig hadden we dus toch wat Engels cash-geld bij), leidt de GPS van Rob ons door de zuidelijke buitenwijken van Newcastle in westelijke richting. Nadat we de stadse drukte achter ons hebben gelaten, mag ik het met een ouderwetse Michelin landkaart van hem overnemen. In het begin nog wat onwennig, maar na enkele correctieve aanwijzingen van Rob gaat het al snel beter. Het weer, geen onbelangrijke factor tijdens een motorvakantie in de U.K., is wat onbestendig en in westelijke richting tekenen zich helaas al enkele onheilsbrengers af aan de glooiende einder.

Vroeg in de middag bereiden we een eenvoudige lunch op een dorpspleintje, nadat Rob daarvoor eerst een jerrycannetje water heeft gescoord bij de plaatselijke gebakjestent. We houden ons publieke optreden bewust kort, want het is toch wat frisjes. Ons afval belandt in een klassieke gietijzeren afvalbak en wij vervolgens weer spoedig in het weidse open landschap. Het Engelse weer wordt nu bij tijd en wijle echt onguur. Maar eerlijk gezegd hoort dat eigenlijk ook wel een beetje bij het landschap van de Penines. Op een zeker moment stuiten we in een dorpje op een bij mijn weten, althans als we ons beperken tot Europa, typisch Engels fenomeen: een zogenaamd Ford. En dan geen vierwieler maar een verharde doorwaadbare plaats door een, in dit geval toch redelijk brede en snelstromende, rivier. Een paal met merktekens geeft onvervaarde rijders een indicatie van de waterdiepte en daarmee een reden tot "bezint eer ge begint" en voor wandelaars heeft men parallel aan de overstroomde rijbaan op onderlinge stapafstand van elkaar een rij betonnen blokken neergelegd. NoŽlle verkent te voet het traject tot aan de overkant, maar uiteindelijk wordt toch unaniem besloten om de gladde, met algen bedekte, doorrijbaan te laten voor wat ie is. We rijden een kilometer parallel aan de rivier verder, alwaar een moderne brug ons, veel minder avontuurlijk maar ook zonder reŽel gevaar voor een nat motorpak, aan de overkant brengt. Ja, ja, risicomijdend gedrag op de oude dag! Uiteindelijk bereiken we laat in de middag het Lake-district, het doelgebied van deze eerste dag. Zoals de naam al zegt, bevat deze streek diverse meren en we "moeten" dan ook een keer een pontje nemen om niet nodeloos veel te moeten omrijden onder de op ons neerdalende druilregen. We worden vervolgens nog van de westkust gescheiden door twee passen, luisterend naar de ontzagwekkende namen Rhinoceros Pass en Hard Knott Pass, waarvan de laatste het meest fameus is. Slecht wegdek, zeer scherpe haarspeldbochten en hellingen tot 33% (!) zouden ons normaliter echter in een jubelstemming brengen, maar helaas vergalt een hardnekkige mist veel van het kijk- en rijplezier. Hoe dan ook: met de caravan is het geen aanrader. In Ravenglass, gelegen aan een door eb drooggevallen baai, verblijden we de campingeigenaar met een toezegging na de boodschappen bij hem de tenten te komen opslaan. Uiteindelijk blijkt dit een dooie mus. Bij het verlaten van de supermarkt (gelegen onder de rook van de beruchte kerncentrale van Sallafield) begint het namelijk weer te regenen, wat ons doet besluiten terug te rijden richting de Hard-Knott Pass. Niet om deze nog een keer te tarten, maar omdat we in Eskdale bij het eind van de pas (van deze kant dus aan het begin ervan) een jeugdherberg hebben gezien. Helaas blijkt deze boven ons budget geprijsd, zodat we alsnog neerstrijken op een (boerderij-)camping ernaast. Het is overigens inmiddels ook weer gestopt met plenzen. Nadat we onze tenten overeind hebben staan, voorziet Rob ons met behulp van een erbij gesleepte picknickbank en een meegebracht zeil en twee telescoopstokken van een overdekte keuken annex eetkamer. Jammer dat de pasta wat snel afkoelt en de rode wijn ook wat onder de adviestemperatuur is, maar verder bekoort het geserveerde diner onze smaakpapillen. Onze natte regenkleding vindt daarna een droogplaats in het warme was/toilethok en wij een warme slaapplaats in onze donzen slaapzakken.

De volgende morgen ziet de hemel er 'n tikkeltje beter uit, temeer daar het stevig waait waardoor het grijze wolkendek wat open breekt. We nemen de gok en besluiten er een wandeldag van te maken. Van de campingeigenaar krijgen we belangen- en kosteloos een wandelkaart ter beschikking gesteld en ook nog een advies voor de route. Nadat we onze rugzakken van de nodige proviand hebben voorzien en in de wandelschoenen zijn gestapt, gaan we tegen half elf op weg. Het wordt de primeur voor mijn telescopische Leki wandelstok, die ik net vůůr deze vakantie heb aangeschaft ter ondersteuning van de wandelplannen. De route loopt eerst tussen de typische stenen muurtjes over een half verhard pad uit het dal omhoog. Daarna volgen we het spoor door een open heideland met afwisselende vergezichten op de donkere bergen in het noorden en het groene dal in het zuiden. De zon laat zich nu allengs meer zien en het kleurenpallet wordt breder en intenser. Hier en daar wordt de natuurlijke monotone symfonie van de wind verlevendigd door blŤrende schapen. Langs een meertje vinden we na een tijdje weer het pad omlaag naar het dal van de Esk. Vooral bij het dalen bewijst de wandelstok als ontlasting voor de knieŽn en ter behoud van het soms wankele evenwicht goede diensten. Deels langs de zuidelijke oever van de Esk lopen we weer richting camping. Pasgeboren lammetjes maken enthousiast hun eerste bokkensprongen en ook wij worden steeds opgewekter als de zon zowaar haar volle voorjaarskracht toont. We lunchen bij een meertje dat over een maand ontegenzeggelijk een paradijs zal zijn voor ontelbare "midges" (steekvliegjes, klein maar o zo venijnig). Nu, begin mei, kunnen we echter nog ongestoord van dit Hof van Eden genieten. Omstreeks half drie zijn we weer terug bij ons kampement. We pakken dan de motoren om een vijftiental kilometers verder boodschappen te doen. De bewoning en de daarmee gepaard gaande luxe voorzieningen zijn hier nu eenmaal wat dunner gezaaid dan in ons Brabantse land.

Bij het krieken van de volgende dag genieten we direct van de zon. Wel is de wind nog zo krachtig dat de telescoopstokken van onze provisorische keuken- annex eettent als luciferhoutjes omknikken en ons daarmee voor de rest van de vakantie in de steek laten. Achteraf blijkt dit een goed voorteken te zijn geweest, want onze gehele resterende tijd op het Britse eiland blijft het vanaf dat moment nagenoeg droog! 'S-nachts of in de vroege morgen heeft een wakkere muis ons gisteren gekochte brood ondanks een stevige plastic verpakking voorzien van een knus holletje met achterlating van enkele muizenkeuteltjes. Voor het diertje moet als een echt Hans & Grietje huis zijn geweest, maar gelukkig heeft ie nog genoeg voor ons over gelaten. In de voormiddag slingeren we met onze BMW's door de Cumbrian Mountains, langs donkerblauwe meren en over de Honister Pass richting Keswick. Het is zaterdag en vanwege het zonnige, maar nog wel frisse, weer trekken de Engelsen massaal de bergen in. Wij rijden verder naar het noorden en bij Beaumont, iets westelijk van Carlisle, vinden we na enig speurwerk de restanten van de meest westelijke uitloper van de Romeinse Hadrian's Wall. In tegenstelling tot wat we verwachten, blijkt het, althans hier, geen stenen muur maar een aarden wal te zijn. Er loopt een goed onderhouden en veel gebruikt wandelpad overeen tussen een zee van bloemen. We lopen het pad over enige honderden meters, maar krijgen het al snel te warm in onze motorkleding. Bovendien willen we vandaag Schotland nog in. Omdat we geen geschikt picknickplaatsje kunnen vinden, nuttigen we onze lunch op een wankel bankje en op het strak gemaaide gras naast een kruising in een buitenwijk van Carlisle. Vandaar nemen even de Motorway die we bij Gretna Green weer verlaten. Dit net over de grens gelegen Schotse plaatsje is fameus bij romantici als voormalig toevluchtsoord voor wanhopige liefdespaartjes, van wie de relatie niet de zegen van de ouders kreeg en die zich hier indertijd zonder lastige vragen toch in de huwelijkse staat konden laten verbinden. Ja, dat waren nog eens tijden.

Via een wat saaie doorgaande weg en met een stevige wind recht op het helmvizier, rijden we richting Galloway, het zuidwesten van Schotland. Onderweg weten we in een piepklein dorpswinkeltje nog net voor sluitingstijd de hand te leggen op de broodnodige etenswaren voor vanavond. Een zorg minder. Nu nog een camping. Nadat we zijn gestopt bij een uitzichtspunt, volgen twee Duitse motorrijders ons voorbeeld. De ene gunt ons geen blik waardig, hetgeen des te opmerkelijker is als de ander vertelt dat zijn maat op de marketing afdeling van BMW werkt. Maar ja, het feit dat wij na zoveel jaren nog steeds op voorhistorische tweekleps boxermotoren rijden, is voor deze BMW figuur blijkbaar reden genoeg om ons marketingtechnisch als hopeloze gevallen af te schrijven. We zijn niet anders gewend. De gedachte camping in het Galloway Forest Park had blijkbaar ook geen zin om op onze investering te wachten, want we komen bij een gesloten hek. De camping, voorheen uitgebaat door de Forestry Commission (zeg maar Staatsbosbeheer), blijkt te zijn opgeheven. En de camping in Glentrool village heeft door de regen van de voorbije week geen echt droog plekje voor onze tenten en verwijst ons, na telefonische navraag, naar een collega in Barrhill, zo'n vijftien kilometer verder. Deze moderne camping oogt wat kil, maar heeft wel een knus keukentje waarin we warm kunnen koken en eten. Geen overbodige luxe, want door het heldere weer is de temperatuur in de vroege avond flink gekelderd. Het koken en eten verloopt verder routinematig, al gaat door de stoom uit onze pannen wel een keer het tegen het plafond gemonteerde rookalarm luidruchtig af.

Omdat de omgeving ons geen inspiratie geeft voor een wandeldag, trekken we de volgende dag weer verder. Na wat kijken op de kaart stellen we onszelf vandaag Loch Lomond, iets noordwestelijk van Glasgow, als reisdoel. De route naar Glasgow voert ons over kleine weggetjes door een liefelijk landbouwgebied. Onze eerste stop van de dag is op een grindstrandje aan een diep in het landschap uitgesneden rivier, bezijden een oude stenen boogbrug. De bomen staan al vol in blad en de zon vervolmaakt ons goed humeur. Voordat we de stedelijke drukte van Glasgow inrijden, maken we nog een uitgebreidere stop in een park in East-Kilbride. Daarna neemt Rob het even over met de GPS en loodst ons feilloos door het zondagse Glasgow. Deze stad heeft uit het verleden een wat negatief imago als grijze industriemetropool, maar door de restauraties van de laatste jaren is dit nu zeker niet meer terecht. Desalniettemin laten wij ons niet verleiden en laten de stad voor wat ie is. Op het bochtige traject richting Loch Lomond krioelt het van de motorrijders, die onwijselijk hard op en neer rijden tussen de stad en een aan henzelf toegeŽigend terrascafť. Daar eenmaal voorbij wordt het rustiger. Aan de oostzijde van Loch Lomond hebben we keuze uit meerdere campings en uiteindelijk kiezen we voor de meest noordelijke. Toevallig een van de Forestry Commission: goed en geen onoverkomelijke aanslag op onze portemonnee. Een perfect basiskamp voor onze geplande wandeling van morgen naar de 974 m hoge Ben (= berg) Lomond. Op de camping vliegen wat verdwaalde midges rond, maar blijkbaar is hun gebit nog niet tot volle wasdom gekomen zodat ze tot onze opluchting hun tanden nog niet in onze huid zetten. We besluiten de dag met een korte avondwandeling als opwarmertje voor morgen en om slenterend langs het meer te genieten van een goudgele zonsondergang.

Na het ontwaken voorzien we onszelf allereerst bij de vriendelijke receptie van het nodige brood. Gezien de kledij van de man (driedelig grijs) heeft hij er nog een baantje naast en is het zijn vrouw die de camping runt. Voor het ontbijt slepen we weer wat met een picknickbank, totdat deze in de zon en enigszins uit de wind staat. Vervolgens gaat de wandelkleding aan en rijden we met de BMW's tot het eind van de weg, zijnde de parkeerplaats nabij het Ben Lomond bezoekerscentrum van de Forestry Commission. Omdat het een doordeweekse dag is, is het er relatief rustig, al zijn we zeker niet de enige wandelaars. Na een kleine vrijwillige bijdrage voor onderhoud van het wandelpad, waar een deelnameformulier aan een foto-herkenningswedstrijd tegenover staat, trekken we omhoog. De eerste kilometer voert het pad nog door een uitzichtbeperkend dennenbos, maar zodra we in het open veld komen wordt het uitzicht met iedere stap omhoog spectaculairder. Na twee stops om rustig van het uitzicht te genieten en om onze lichaamsmotor van verse brandstof te voorzien, naderen we na circa 2 uur de top, die zich overigens het laatste deel van de klim aan ons zicht ontrekt. We worden nog ingehaald door twee sportievelingen die in een lichte draf omhoog gaan en die, te oordelen naar hun legergroene camelpacks, hiervoor betaald worden. Boven waait het stevig en dwarrelen er wat sneeuwvlokjes omlaag. Overigens geen hoeveelheden in vergelijking tot die op de witte top van de 1344 m hoge en zo'n 60 kilometer noordelijker duidelijk zichtbare Ben Nevis. Maar het is wel koud en mijn breed gerande Australische bush-hat is duidelijk voor andere klimatologische omstandigheden ontworpen. Een dikke wollen muts was nu even beter op zijn plaats geweest. Na zo'n 5 minuten houden we het afzien voor gezien. Om niet tweemaal hetzelfde pad te hoeven lopen, nemen we een andere route omlaag. Deze begint met een stijle rotsige afdaling, gevolgd door een wat sompig "zadel" waarna we vanuit de hoogte een direct en wonderschoon uitzicht hebben op Loch Lomond diep onder ons. Het smalle pad voert, langs de scherp aflopende bergwand en parallel aan het meer, afwisselend stijl en minder stijl omlaag. We spreken kort met een ouder echtpaar uit Glasgow dat deze wandeling, hoewel die gelegen is in hun achtertuin, voor het eerst loopt. Hun zoon, die blind is wordt door een vierde persoon geleid. Voorwaar geen sinecure om met zo'n handicap deze wandeling te maken, waarbij hij het inspirerende uitzicht ook nog eens moet missen. Diep in de middag komen we enigszins vermoeid maar voldaan weer beneden. Bij het oprijden van de camping verliest NoŽlle ongelukkigerwijze het evenwicht en parkeert de ST tegen de scharnierpaal van de slagboom. Gelukkig valt de schade mee: geen persoonlijk letsel, alleen ietwat geschrokken en van de motor liggen eigenlijk alleen de koplamp in een deuk en het windscherm aan diggelen. Het scherm wordt door Rob met de nodige bruine tape provisorisch gerepareerd. En omdat we toch al niet van plan waren om in het donker te rijden, kan de gekreukelde koplamp verder straffeloos onaangeroerd blijven. Probleem opgelost. Waarna zich nog wel een ander probleem aandient: in mijn voorband heeft zich een forse spijker genesteld. Hoewel de band geen spanning verliest, lijkt het ons toch verstandiger hiermee geen risico te lopen. De spijker wordt sissend verwijderd, waarna er een rubberen prop in wordt geduwd. Dit is mij inmiddels al zo vaak overkomen dat ik gerust kan stellen op dit vlak het amateuristische te zijn ontstegen. Het weer oppompen van de band met een BMW handpompje vergt dan nog wel even tijd en enkele zweetdruppels, maar omdat het in ploegen gebeurd komt ook dat voor elkaar.

De volgende morgen doet de dag van gisteren zich "pijnlijk" gelden en kruip ik met licht stijve spieren uit de tent. Na het ontbijt zetten we de geleende picknickbank weer op zijn oude plek terug en slingeren ons vervolgens gepakt en gezakt weer in het zadel. We willen vandaag naar het eiland Sky, maar omdat de weg aan de oostelijke oever van Loch Lomond niet doorloopt moeten we eerst onderlangs om het meer heen, om vervolgens langs de westelijke oever noordwaarts te rijden. Dit is een brede doorgaande weg, die ons ondanks het mooie uitzicht op de Ben Lomond aan de overzijde van het Loch toch vrij snel verveeld. Dus bij de eerste gelegenheid slaan we af. We rijden dan westelijk door Glen (= dal) Douglas. Schapenroosters, schapen, heide en de zon zijn onze metgezellen. Aan het eind van het dal ligt een groot militair kamp, dat zich naar het laat aanzien deels onder de Schotse grond bevindt. Langs Loch Long omhoog. In Arrochar scoren we bij de plaatselijke bakker de nodige warme (!) lekkernijen, om die net buiten het dorp bij een parkeerplaats aan het Loch meteen te verorberen met hete thee uit onze thermoskannen. Deze vullen we elke morgen met thee of heet water, zodat we bij de veelvuldige picknicks niet telkens onze benzinebranders voor de dag hoeven te halen. Op de parking rijden en lopen talloze dagjesmensen af en aan en turen als echte verkenners met verrekijkers, soms ondersteund met een wijzend vingertje, naar het meer. Ook wij volgen met de verrekijker van de Davelaars dit voorbeeld, maar kunnen uiteindelijk helaas niet anders concluderen dat er op en in het water niets exceptioneels te zien is. Maar dit is dan ook niet Loch Ness.

We vervolgen onze weg over het immer imposante en weidse Rannoch Moor. Schotland zoals uit de boekjes. Meertjes en heide omzoomd door hoge, wit getopte, bergen. Nabij Glencoe wordt het dal smaller en verleiden de zon en het uitzicht op de imposante bergen ons tot wederom een, nu bijna zomerse, pick-nick. Omdat ik maar al te goed weet hoe weer en wind hier te keer kunnen gaan, geniet ik dubbel en dwars. Onze lunches worden daarbij steeds bourgondischer. Alleen de wijn ontbreekt er nog aan. Na een vrij lange maar niet onplezante rit, bereiken bij Galltair het unieke "draai"pontje naar Kylerhae op Sky. De overtocht is vrij prijzig (als ik het me goed herinner iets van 5 BPound per motor), maar is ook iets bijzonders. De hond van de veerman lijkt daarbij overigens actiever dan zijn baas. Nadat het eerste stuk op Sky ons over een heel smal weggetje voert, met schitterende uitzichten achter onze ruggen op de hoge bergruggen op het vaste land, belanden we in Broadford. Hier bevoorraden we ons uitgebried voor de komende dagen, o.a. met twee flessen Roemeense (!) wijn, in een (zo niet de enige) supermarkt van het eiland. We besluiten hier Rob Deeks al te bellen omdat we mogelijk verderop (en dat vermoeden wordt later inderdaad bewaarheid) bij gebrek aan signaal onze mobieltjes niet zullen kunnen gebruiken. Rob blijkt inmiddels ook in Schotland te zijn aangekomen en we informeren hem over ons plan om ons vanavond op de camping in Glen Brittle te installeren, zodat hij zich daar morgen bij ons verpozende gezelschap kan vervoegen. De "single-track-road" naar Glen Brittle is een doodlopende weg met een wederom imponerend uitzicht (het wordt bijna eentonig), ditmaal op de donkere en grillig gevormde bergketen van de Black Cuillins. De camping ligt pal aan de oceaan en is, zeker gelet op de toch slechts elementaire voorzieningen, redelijk goed bezocht. Ook veel Hollanders. Het is dan ook een ideale uitvalsbasis voor een dagje stappen in de Cuillins. Als het weer tenminste zo blijft, want Sky heeft namelijk toch echt een andere reputatie, namelijk van mist, regen en wind. Als de de zon achter de bergen is verdwenen wordt het met wind uit zee direct een stuk koeler en we zijn zelfs "genoodzaakt" om onze maaltijden in de voortent van Rob en NoŽlle te genieten. Daarna verkennen we nog even de was- hokken. Het is allemaal wat primitief en niet echt schoon. Al worden eventuele onhygiŽnische geurtjes in het hok wel overroken door de conserverende lucht van carboleum dat vers op een aanpalend hekwerk is gesmeerd. De nacht brengt ons het rustgevende klotsen van de golven op het strand en al snel zweven we in dromenland.

Het begint langzaam aan onwerkelijk te worden, maar de volgende dag is het wederom droog. Al hangt er wel wat sluierbewolking, vooral tegen de bergtoppen. Diverse wandelaars trekken er als vroeg op uit. Wij doen het rustig aan. We kijken even in een barak, die als campingwinkeltje is ingericht. Gelet op het ruime aanbod van anti-midge-smeerseltjes en zelfs muskietennetjes, is het hier met deze insekten normaal toch echt iets minder rustig dan nu. Volgens de kassier begint hier het feest, voor de midges wel te verstaan, zo ongeveer vanaf half mei. Dat gaan wij dus net "missen". Als wij eindelijk ook aan de klauterpartij omhoog beginnen, begint de zon al flink aan kracht te winnen. Na een aanvankelijk valse start als we het verkeerde spoor kiezen, schiet het al snel flink op. Het pad loopt in eerste instantie parallel aan een klein bergstroompje dat we regelmatig moeten overspringen. Dat is dan meteen een mooie gelegenheid om het hoofd te keren en het uitzicht op het netvlies en/of op het celluloid te zetten. Als het stroompje van ons scheidt, wordt het pad steiler en steniger. Op een gegeven moment wordt het zelfs meer klauteren dan wandelen. Zo bereiken we Coire Lagan, een mooi bergmeertje op zo'n 600 m, als in een krater voor driekwart ingesloten door de rechte toppen van de Cuillin Ridge. We zoeken een mooi plekje uit de wind en kijken bewonderend naar de echte bergbeklimmers die in de hoge verte met touwen aan de verticale wand hangen. Ook over de bergkam ontwaren we tegen de inmiddels staalblauwe hemel een rijtje waaghalzen. We krijgen gezelschap van een Nederlands stel dat ook op de camping staat en dat kan getuigen van het uitzicht vanaf de top. Wij kennen echter onze beperkingen en vinden dit al welletjes. Ook een oudere heer met twee witte, kort gekrulde, hondjes bereikt het meer. De twee wispelturige viervoeters zijn onafscheidelijk en lijken goed naar hun baasje te luisteren. Dat wordt later bij de afdaling toch wat anders als ze een konijn in het vizier krijgen en hun baasje bijna tot wanhoop drijven met hun geveinsde plotse slechthorendheid. Uiteindelijk ontsnapt het konijn en keren de jagers op hun schreden terug naar hun vaste voedselverschaffer. Op onze terugweg maken we een flinke omweg, waarbij we niet recht omlaag dalen , maar geleidelijk onderlangs de bergwand in westelijke richting. Soms is het sompig en moeten we springen om geen natte voeten te krijgen. We rusten kort bij een uitzicht op de smalle maar (voor Engelse begrippen) hoge Eas Mor waterval en lopen dan via het gehucht Glen Brittle terug naar de camping. Het is rond drieŽn en Rob is met zijn glimmend zwarte R75/5 inmiddels ook gearriveerd en geÔnstalleerd. Hij vertelt vol enthousiasme over de rit van vandaag en zijn indrukken. Ook hij weet maar al te goed dat dit weer in Schotland exceptioneel te noemen is. Na het snorren van onze benzinebranders, de afwas en daartussen de welverdiende maaltijd, besluiten we de dag in stijl met een kustwandeling en een purper-rode zonsondergang.

Donderdagmorgen. Voor de verandering schijnt wťťr de zon. We gaan ons dan ook meer en meer afvragen of het ooit anders is geweest in Schotland. We verlaten Sky, met weer twee nieuwe flessen Roemeense wijn in de roltassen, via de enkele jaren oude brug bij Kyle of Lochalsh. De oorspronkelijke tolheffing blijkt inmiddels tot het verleden te behoren en dat zal het leven voor onze veerman bij Kylerhae er waarschijnlijk niet makkelijker op maken. Onze rit naar het (noord)oosten onderbreken we kort met een afsteker naar de Bealach na Bo (oftewel Pass of the Cattle, oftewel Pas van de Veekudde). Rob heeft deze hoogste pas van zijn geboorteland nog nooit gereden en dus moet dat nu dan maar eens gebeuren. De regen van een half jaar eerder en de brontsige herten van anderhalf jaar terug ontbreken nu, maar het is nog steeds volop genieten. De boxermotor gromt met bijna menselijk emotie bij het (weer)zien van de opeenvolgende bochten en scherpe stijgingen. Na een kort oponthoud op de top en het maken van een foto met het eiland Sky en de oceaan op de achtergrond, rijden we dezelfde weg terug naar beneden. In Achnasheen strijken we neer op het grasveldje voor het lokale treinstationnetje. We maken dankbaar gebruikt van de aanwezige sanitaire faciliteiten en vullen vervolgens de daarbij ontstane lege ruimte weer met verse lekkernijen. Vanaf Inverness rijden we zuidoost, enkelsporig door Glen Kyllachy, dat liefelijk begint als parklandschap maar weer even snel verandert in open heide met moeras en riviertjes. We eindigen uiteindelijk in het Glenmore Forest Park, een camping van de Forestry Commission aan de rand van de Cairngorm Mountains. Eigenlijk is de camping gesloten vanwege een verbouwing, maar we mogen er toch op en wel tegen gereduceerd tarief gezien de beperkte faciliteiten. Een plaatsje in het bos aan het meer is heel verleidelijk, maar volledig rationeel (we willen morgenvroeg namelijk in de zon staan) kiezen we toch voor het open centrale veld. Op de door ons gekozen plaats staat een onduidelijke hondenvoerbak te wachten op een afwezige eigenaar, maar daardoor laten we ons natuurlijk niet weerhouden. Onze tenten staan nog niet koud overeind of een camper rijdt het veld op en de norse chauffeur meldt geŽrgerd dat dit zijn plek is. Was dus, want wij geven geen krimp, niet in het minst onder de indruk van deze onduidelijke territorium claim. Zijn hond maakt zich minder druk en dus kiest onze opponent toch maar een andere plaats voor zijn geld. Qua sanitair is alleen het toilethok bij het zandstrand van het meer beschikbaar en bij het ontbreken van elektriciteit, en dus licht, komen onze hoofdlampjes goed van pas. Het is windstil en in het gladde wateroppervlak van Loch Morlich bewondert de maan zichzelf.

Onze weloverwogen kampeerplaats blijkt goed gekozen, want bij het krieken van de dag worden we door de zon bijkans onze tenten uit gebakken. Omdat we vandaag geen al te lange route hebben gepland, besluiten we de morgen te gebruiken voor een vlakland-wandeling rond het Loch. Hoewel de paden goed zijn en er geen stijgingen te overwinnen zijn, is het bijna te warm om te lopen. Zo nu en dan passeren we een informatiebord met uitleg over de flora en fauna die hier zouden voorkomen. Ik vind vooral de enorme naaldbomen op het strand bij de camping bijzonder. Als we na twee uur bezadigd kuieren de camping weer naderen, is het strand inmiddels ingenomen door een roedel enthousiaste schoolkinderen die instructie krijgen in zeilen, roeien en surfen. Tijd om te gaan dus. De motorolie wordt nog even gepeild en op niveau gebracht en dan zijn we weg. We rijden een weg parallel aan de A9. De route is veel mooier dan we afgaand op de kaart hadden durven hopen, maar het plezierige voorjaarsweer zal daar zeker ook een aandeel in hebben. Bij Ruthven Barracks, de ruine-achtige overblijfselen van een Engels fort uit roerigere tijden, stoppen we voor foto's. En net voor Kinloch Rannoch, aan de rivier, voor een van de dagelijkse picknicks. Het water stroomt onwaarschijnlijk snel. De natuur heeft vandaag blijkbaar meer haast dan wij. We rijden de doodlopende weg helemaal af (25 km) langs Loch Rannoch en langs een kudde jonge langharige Highland-runderen tot het wereld-fameuze Rannoch Station: het "eind van de wereld". Dat is wat overdreven, maar het is inderdaad een stationnetje in de 'middle of nowhere". Een paar huizen en verder weer niets dan heide en moeras. De stationsrestauratie is helaas gesloten dus blijft het voor ons bij rondneuzen. Door Glen Lyon en over de Bridge of Balgie rijden we via Killin (bekend van de water-Falls of Dochart en het clan-kerkhof van de McNabs) naar Lochearnhead. Hier wordt het blokhut weekend van de Schotse BMW club gehouden. We moeten wat zoeken en vragen, maar uiteindelijke vinden we onze vrienden in het inmiddels buiten gebruik gestelde treinstation. De rails zijn verwijderd, maar verder ziet alles er nog heel authentiek uit. Het stationsgebouw blijkt in de zestiger jaren door de Scouting opgeknapt en is nu te huur voor bijeenkomsten, feesten en partijen. We zijn net op tijd en kunnen direct in de voormalige restauratie aanschuiven voor het avondmaal, eigenhandig bereid door de secretaris van de BMW club. We krijgen een plaatsje nabij het gezellig hoog opgestookte haardvuur en weldra getuigen onze vuurrode wangen van een blakende gezondheid. De stamppot is eenvoudig maar smaakt zeker niet slecht en de "pie" als typisch Brits toetje laat bij Rob Deeks klaarblijkelijk nostalgische herinneringen boven komen. Hij gaat in ieder geval nog terug voor een tweede ronde (en wij ook). Voor de overnachting zijn op het terrein diverse blokhutten beschikbaar, maar wij laten ons de unieke gelegenheid natuurlijk niet ontnemen om te kamperen op het perron van een (weliswaar voormalig) treinstation. Weliswaar op het met gras ingezaaide deel, maar toch. Ook de motoren krijgen een standplaats op het platform. De nacht verloopt verder rustig en zonder dat we in onze dromen of nachtmerries worden opgeschrikt door passerende locomotieven.

Het ontbijt gebruiken we wederom in de voormalige stationsrestauratie. Vergeelde instructieplaten en dito-foto's getuigen van pogingen om de padvinders de beginselen van de bergklimsport bij te brengen. Wandelen lijkt aan het merendeel van de nu aanwezigen echter niet besteed en onze Schotse gastgevers proberen ons dan ook met de beste bedoelingen over te halen om met hen een gemotoriseerde tour door de Schotse natuur te maken. Als we echter de in onze ogen nogal doorgaande route vernemen, slaan we de uitnodiging vriendelijk van de hand en geven ze nog enkele goede "binnendoor-tips". NoŽlle en de beide Robben besluiten een wandeling over het voormalige spoortracť te gaan maken. Ik geef de voorkeur aan de nabije, ruim 1200 m. hoge, Ben Lawers. Ik pak de motor tot het aan de voet van deze berg gelegen bezoekerscentrum, waarbij ik in Killin bij de bakker de knapzak nog van de nodige voedzame lekkernijen voorzie. De Ben Lawers blijkt een populaire bestemming op deze zaterdag, want de parkeerplaats staat al aardig vol met blik. Vol goede moed en met een goed gevulde rugzak begin ik aan de klim. De aanloop is nog redelijk vlak en het pad is deels aangelegd in een door het water uitgesleten geul. Op een gegeven moment zie ik opeens minder wandelaars op mijn pad, maar juist weer meer hoog rechts boven mij. Blijkbaar zijn mijn gedachten afgedwaald en ik nu dus ook. Omdat ik het vervolg van het pad, waarop ik mij nu bevind, niet ken en toch echt naar de top wil, zit er niets anders op dan op mijn schreden terug te keren. Inderdaad: al dromend een afslag gemist. Nu begint het pad wel sterk te stijgen. Sommigen passeren mij, weer anderen passeer ik. Een pas op de plaats, een kort praatje en weer verder. Ik kom op een vlak, grassig, stuk. De vermeende top lonkt en ik recht de rug. Weer een steil stuk, maar met een natte rug kom ik boven. Dat boven blijkt echter niet de top van de Ben Lawers. Die bevindt zich een kleine kilometer verder, maar tussen de voortop waarop ik nu sta en de echte top zit wel een flink verdiept zadel. Na de kortstondige teleurstelling te hebben verbeten, bind ik de rugzak weer op mijn rug en begin aan het nu nog resterende deel. Het pad omlaag gaat uiteraard gemakkelijk, maar al dalend wordt de stijging daarna zichtbaar steeds groter. De piepende longen van twee ex-rugby spelers sterken mijn zelfvertrouwen en met nieuw herwonnen elan en zekere korte passen bereik ik zonder verdere stop de top. Het is er bijna druk. Jong en oud genieten van het verre uitzicht en als je goed kijkt zie je zowel de Noordzee in het oosten als de Oceaan in het westen. Of is de wens de vader van deze gedachte? Ik blijf een hele tijd op de top en lig in de windluwte wat te dutten.

Voor de onvermijdelijke terugweg kies ik een alternatief pad. Het lijkt langer, maar omzeilt de hoogte van de misleidende voor-top. Uiteindelijk blijkt dit pad hetzelfde als waarop ik eerder ben omgedraaid. Dat was dus eigenlijk niet eens nodig geweest. Tegen vieren sta ik weer naast de BMW. In Killin zie ik bij toeval ook Rob, NoŽlle en Rob weer. Ook zij hebben een weldadige dag gehad en zijn hier wat rond gaan kijken. Gezamenlijk rijden we terug, waarbij onze Engelse Rob nog een helmloze lift geeft aan een wandelende jongedame, die wordt herkend als eveneens een bezoekster van het weekend van de BMW club. Tot het avonddiner zitten we met een welverdiend drankje op het perron te praten met de andere aanwezigen. Wat dat betreft levert dit weekend veel meer sociale contacten op dan het najaars-kampeerweekend in Glencoe, alwaar het merendeel van de deelnemers de avond in een kroeg in het dorp pleegt door te brengen. Wel moeten we soms onze oren goed spitsen, want het Schotse accent is toch echt iets anders dan het Engels dat ze ons op school hebben geleerd. Nadat we de magen weer gevuld hebben met enkele home-made gerechten, praten we nog wat na onder het genot van wat drankjes en gaan dan plat.

Na het ontbijt nemen we afscheid van onze gastgevers. Althans die er nog zijn, want een aantal blijkt al vertrokken voordat wij uit de tent waren. Het was in ieder geval gezellig en een fijne aanleiding voor onze rij-/wandelvakantie. Al snel nadat we op weg zijn, stoppen we ook weer. In Balquhidder blijkt op het kerkhof naast het kerkje namelijk de legendarische Rob Roy McDonald te zijn begraven. Deze 18e eeuwse nobele vrijbuiter, waarover vele legenden de ronde doen en waaraan menig film en boek is gewijd, stal van de rijken en verdeelde de buit onder de armen. Zoiets als de meeste regeringen en multinationals op aarde dus, maar dan omgekeerd. Op het kleine weggetje moeten we verder nog tweemaal afstappen om een hekwerk te openen en te sluiten. Daar tussenin grazen runderen. We rijden de op de Michelin kaart groen gemarkeerde weg door de toeristische Trossachs. De weg is inmiddels zover uitgebouwd dat het voor motorrijders, althans voor ons, niet echt bijzonder meer is. De temperatuur is inmiddels wel zo hoog opgelopen dat we "genoodzaakt" zijn om een picknickbank voor het nuttigen van onze morgen-thee met vereende krachten naar de weldadige schaduw van wat bomen te sleuren. Als er een diploma "picknickbanken sjouwen" zou bestaan, waren we met de ervaring van deze vakantie inmiddels zeker geslaagd. Net voor Kilsyth waart onze blik vanaf de hoogte over de vlakte tussen Glasgow en Edinburgh. We komen in bewoond gebied met meer wegen en Rob neemt met de GPS de kop van mij over. Het is warm en zo nu en dan slaat de slaap toe. Via de vallei van de Tweed rivier bereiken we Melrose, met midden in het dorp de ruÔne van de gekende gelijknamige abdij. We besluiten tot een bezoek en waren drie kwartier rond tussen de muren van de voormalige abdijkerk en over het historische kerkhof en vinden zelfs nog voldoende energie om de toren te beklimmen. Of althans wat daarvan over en gerestaureerd is. Volgens de voordaagse inlichtingen van de heren van de Schotse BMW section zou zich in Melrose ook een zeer goede camping bevinden. Nou, dat valt dus vies tegen. Het blijkt een soort caravan-park en bovendien gaat volgens de baas het veldje voor de kampeerders pas over een week open. Ja, ja, hij wil ons dus gewoon niet hebben. Dat komt goed uit, want wij zien de plek achteraf ook niet zo zitten. We moeten dus ietsje verder naar Selkirk, waar zowel de Michelin kaart als Rob's GPS de aanwezigheid van een camping verraden. Na wat zoeken blijkt het een groot grasveld met de afmetingen van 3 voetbalvelden, gelegen naast het lokale binnenzwembad. De (camping)receptie wordt gedeeld met het zwembad en de douches en toiletten ook. Wij delen het veld met nog een enkel tentje en een paar kampeerauto's. Aan een zijde hebben we zicht op de contouren van het hoger gelegen stadscentrum, rood verlicht door de tanende zon tegen een duisterende oosterse hemel. Aan de andere zijde wordt het veld begrensd door een openbaar fiets-/wandelpad, waarachter de lokale rivier zich reeds lang een weg door het dal baant. Een dood schaap aan de oever heeft zijn beste tijd gehad. Tegen het vallen van de avond wordt het aanzienlijk killer en ook komt er onmiskenbaar bewolking opzetten. We staan dan ook op het punt om Schotland te verlaten en dan is het waarschijnlijk dus ook gedaan met het mooie weer. Het toiletgebouw heeft echter de temperatuur van een sauna en ook de douches zijn navenant, zodat we uiteindelijk toch heerlijk warm onze nachtkwartieren betrekken.

Als we de volgende dag dan ook op Carter Bar staan, op de grens tussen Schotland en Engeland gevormd door de graat van de Cheviot Hills, is het bitter koud en krijg ik zelfs koude handen. Een eveneens pauzerend, minder verpakt, heerschap op een Harley is stoerder. Zijn mindere motorkleding compenseert hij echter met een aanzienlijke vetlaag, die hij koestert met het bestellen van een vette hap bij de lokale Fish & Chips kraam. Ondanks het onplezierige weer rijden we niet de kortste weg naar Newcastle, maar kiezen een binnendoor weggetje om iets noordelijk van Newcastle al de Noordzee aan te tikken. De weg voert ons over een open hoogvlakte met heide en de ijzige wind heeft vrij spel. Een passend luguber monument bezijden de weg trekt onze aandacht. Het is een galg, met in de strop een bungelende kop. Een speelbal van de wind die overigens nooit aan iemand heeft toebehoord. De toelichting op een plaat verhaalt van moord en verdiende (?) straf. Het is hier trouwens zo koud, dat als de strop je niet zou doden, je alsnog langzaam ter ziele zou gaan door onderkoeling. Waar vinden we hier nu een acceptabel plekje voor een picknick? Het zal toch niet zo zijn dat we op onze laatste vakantiedag alsnog onze selfcatering principes moeten laten varen? Volgens de kaart is er wat verderop een dorpje aan een riviertje. En aangezien water meestal door dalen stroomt, veronderstellen we dat het daar wat beter zou kunnen zijn. Ons intuÔtie laat ons ook dit maal niet in de steek. Naast het bruggetje over het stroompje vinden we zowaar weer onze gewaardeerde picknickbank. En in de vallei laat ook de wind ons even met rust. Als we uiteindelijk bij Blyth het brede Noordzee zandstrand bereiken, laat juist de zon zich weer zien en zo geeft onze afsluitende laatste stop nog een keer een echt vakantiegevoel. Voor een uitgebreid zonnebad hebben we helaas geen tijd, want de boot wacht. Langs het Noordzee strand met statige gebouwen en Victoriaanse landhuizen leiden de satellieten ons feilloos naar de ferry-kade. We zijn wat vroeg, maar achter ons groeien de wachtrijen al snel aan. Keurig op tijd manoeuvreert de boot zich door de monding van de Tyne het ruime sop in. Verder gaat alles op de automatische piloot. En dat geldt bijna ook voor ons. Wel ontmoeten we nog een ex-collega van Rob Davelaar, die met haar mannetje al pedalend de Schotse Borders heeft doorkruist. Zo komen we gezellig de avond door en daarna wordt het vanzelf ook weer dag. We besluiten onze vakantie met een ontnuchterende rit van IJmuiden naar Oirschot. Het lijdt geen twijfel: We zijn weer "thuis".